’t Zal wel gaan 22/01/2020

Ze hebben gelijk. De professoren. Met hun commentaar op het voornemen van de regering-Jambon om de taalwet voor hoger onderwijs te versoepelen, waardoor de verengelsing kan en zal toenemen. Ze hebben gelijk. Met hun kritiek op de Vlaamse Beweging, of wat daar nog voor moet doorgaan. Wie is die Vlaamse Beweging dan? Dat is een ander vraagstuk, maar ze hebben gelijk. Ook met hun vraag aan de Cultuurfondsen: waar zitten ze? Het is een flauw excuus, maar bij Cultuurlab Vlaanderen ging al onze aandacht naar het gesprek met de Visitatiecommissie en naar de voorbereidingen van dat gesprek. Het nieuws is aan onze aandacht ontsnapt. Waarvoor excuus en dank aan de professoren en de collega’s van de andere Cultuurfondsen om ons bij de les te houden.

De kritiek is terecht. Maar tegelijkertijd heeft die toch ook iets selectiefs. Omdat wat vandaag dreigt te gebeuren, een zoveelste episode is sinds het Vlaams Parlement in 2003 het Bolognadecreet goedkeurde, dat onder meer de taalregeling voor het hoger onderwijs vastlegde. Dat decreet liet ruimte voor een mooi evenwicht tussen Nederlands als onderwijstaal en de realisatie van een knappe internationale uitstraling met meertaligheid.

We springen naar 2008.  De Vlaamse Minister van Onderwijs was toen de sociaal-democraat Frank Vandenbroucke. Samen met zijn partijgenoot, Luc Van den Bossche, zelf ook oud-Minister van Onderwijs, pleitte Vandenbroucke voor precies hetzelfde als wat nu door Jambon en zijn ploeg op tafel gelegd wordt. Zij baseerden zich op “het rapport Soete en Oosterlinck”, uit hetzelfde jaar. Toen vonden we het al te gek dat socialisten gingen pleiten voor grotere sociale ongelijkheid in de toegankelijkheid van het hoger onderwijs en dus pleitten voor een drempel in de emancipatie van de arbeidersklasse.

Emiel Moyson, naar wie de socialistische mutualiteit is genoemd, zou hen klappen tegen de oren gegeven hebben. Voor Moyson (1838-1868) waren de sociale ontvoogding van de lagere klassen en de taalstrijd twee zijden van dezelfde medaille. Het taalonrecht was een aspect van het maatschappelijke onrecht: de taal van het geld was Frans, die van de armoe Nederlands. Die kloof verscherpte de klassentegenstellingen. Taalconflicten gaan in eerste instantie dan ook niet over taal an sich. Wel over bewust gecreëerde sociale ongelijkheden tussen groepen mensen. Moyson zong het zo:

Vrienden, ter hulp van den lijdenden werker,

Roep ik u toe in dit ure van nood:

Zeventig broêrs zuchten daar in den kerker…

Ach, voor hun vrouwen en kinders wat brood!

Vrijheid van Breydel, wie dorst u verneed’ren!

Gilden verrijst! Het perykel is groot.

Zeventig Klauwaarts zijn weêral gevangen…

Ach, voor hun vrouwen en kinders wat brood!

En alzo besloot hij zijn tekst: “Tot het vervallen nageslacht van de ambachtslieden der Guldene Sporen die als Vlamingen, als vrije Nederlanders, eerbied voor hun taal moesten afdwingen en door hun verenigingen van werkers hun stoffelijke, zedelijke en verstandelijke toestand verbeteren”.

Maar de professoren hebben gelijk. Het is te gek voor woorden dat met name Vlaams-nationalisten de taalverworvenheden in de etalage plaatsen. En wat toch raar is: de argumenten zijn krek dezelfde als in 2008, en zelfs krek dezelfde van de Belgische bisschoppen, onder leiding van Mercier, in 1906, tegen een Nederlandstalige universiteit in Vlaanderen:

“Les Flamands qui voudraient flandriciser une université belge, n’ont pas assez réfléchi au rôle supérieur auquel doit prétendre une université. Si leurs revendications étaient accueillis, la race flamande serait du coup réduite à des conditions d’infériorité dans la concurrence universelle ».

Naamloos-1

Zo klonk het in 1906. Vandaag klinkt het dat als we Engels de nodige ruimte niet zouden geven in het hoger onderwijs, Vlaanderen zich zou isoleren van de wereld. Blijkbaar begrijpen we nog steeds niet welke superieure rol een universiteit op zich zou moeten kunnen nemen.

We kunnen nu alle opiniestukken en studies van de voorbije 12 jaar nog eens van onder het stof halen. Maar wat schieten we daar mee op? Het maatschappelijke debat waar de professoren om vragen, moest 12 jaar geleden gevoerd worden. En eigenlijk zelfs nog eerder, voor de invoering van het Bolognadecreet.

Ik behoorde toen tot een club die dat heeft geprobeerd, maar die steevast genegeerd en weggehoond werd. Het zou allemaal zo’n vaart niet lopen. De tekst “Sociaal-flamingantische bedenkingen bij de verengelsing in Vlaanderen” uit 2008, spreekt voor zich. Daarin staan alle bekommernissen beschreven die vandaag leven over de plannen van de regering-Jambon. Er is twaalf jaar voorbij gegaan. Ook daar valt niets meer aan te veranderen. We hebben ondertussen al geleerd dat geduld een schone deugd is…

De vraag is nu: wat nu? We kunnen nog eens protesteren. Nog eens opinies schrijven. Maar dat zijn achterhoedegevechten. Precies omdat de kiemen voor wat vandaag op tafel ligt, inherent aanwezig waren in het Bolognadecreet en in de pleidooien nadien. Als we een degelijk antwoord willen geven op heel dit vraagstuk, moeten we nu nadenken over wat er binnen tien jaar op tafel zal liggen. In 2030. Naast een hele reeks festiviteiten om tweehonderd jaar België te vieren, en om, als wat moet doorgaan voor “de Vlaamse Beweging” verder doet zoals die nu al een paar decennia bezig is, te dansen op het graf van die “beweging”, zal er een maatschappelijke realiteit zijn waarin we leven en waarin voorstellen op tafel zullen komen, waarvan we dan zullen zeggen dat ze al tien jaar op tafel liggen. We moeten dan ook durven vooruit kijken.

Want we mogen niet blind zijn voor het geheel: enerzijds staat de verengelsing van het onderwijs niet los van de verengelsing van de Vlaamse samenleving in haar geheel. Iets waartoe media, de amusementsindustrie en de alledaagse ouder die graag hip wil zijn voor de kinderen, gretig aan meedoen. Ook daar waarschuwden we voor in 2008. Ik ga er hier nu niet verder op in. We graven zelf het graf van onze moedertaal. Anderzijds, neemt de sociale ongelijkheid in Vlaanderen almaar toe.

Als er al iets is dat een collectieve opdracht zou kunnen zijn voor de Cultuurfondsen binnen hun socio-culturele werkingen, is het precies dat: de (her)oprichting van een beweging waarin de sociale emancipatie van alle inwoners van Vlaanderen en de strijd om het behoud van het Nederlands, parallel lopen. We zouden de heren naar wie de fondsen zijn genoemd, er veel eer mee betonen.

Het had mooi geweest als dit kon gebeuren onder de naam van ’t Zal wel gaan, de progressieve, Vlaamsgezinde en vrijzinnige studentenvereniging waar Moyson ook lid is van geweest en die als

slogan “Klauwaard en Geus” had. De vereniging speelde een grote rol in de vernederlandsing van het onderwijs, het antifascisme, en later in de verzetsbeweging in de Tweede Wereldoorlog. Maar ze bestaat nog steeds.

Hoog tijd om de koppen bijeen te steken en het er allemaal eens uitvoerig over hebben.

Karel

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.